|
Lente 2007 schreef het KennisCentrum Grote Steden een conferentie uit met als thema: rolverwarring tussen wijkambtenaar en opbouwwerker. Het bleek een schot in de roos,
de inschrijving werd twee keer overtekend. De conferentie baarde een andere verrassing: één van de aanbevelingen van met name de wijkambtenaren was, om het ‘oude basisopbouwwerk weer in ere te herstellen, maar dan liever niet met opbouwwerkers in dienst van de bredewelzijnskoepels, want met die koepels loopt dit werk geheid vast in procedures.’
Binnen en buiten deze conferentie komen er meer signalen die wijzen op verwarring over positie, aard en inzetbaarheid van opbouwwerk. Opbouwwerkers zijn kennelijk thans op een cruciale plek in de geschiedenis van het beroep aangeland, ze staan op een kruispunt en moeten kiezen.
De strijd om de inzet en profijt van het werk zal gaan langs twee dimensies:
-> De schaal van opereren: Accent in uitvoering op 1e of 2e hoofdtaak(groepswerk versus instellingenwerk; 1 of 2) -> De idiele dimensie: Agogische idealen: daar ruimte voor claimen en krijgenversus algemeen sociaal interventionist zijn, (welzijnwerk versus social engineering; A versus B) Toelichting1e Hoofdtaak: werken met categorale en/of territoriale groepen. Issues betreffen meestal leefbaarheidstekorten of –bedreigingen, velerlei belangen zijn in het geding. Gericht op probleemoplossing, vernieuwing van plaatselijke verhoudingen, leiderschapsontwikkeling, educatie, emancipatie en organisatie. (Traditie: buurtwerk /sociale actie; gemeenschapsvorming)
2e Hoofdtaak: scheppen van nieuwe werkwijzen, innovatie van infrastructuur die tegemoet komt aan behoeften van een bepaalde categorie burgers. Behoeften aan voorzieningen en diensten, aan vrijwillige inzet, prijs en eigendomsverhoudingen die recht doen aan specifieke omstandigheden van die categorie. (Traditie: sociale planning, netwerken, coöperaties en zelforganisatie)
Agogische Idealen: Emancipatie, empowerment om maar twee bekende te noemen. Opbouwwerkers willen een betere samenleving die kansen schept op een beter mens te worden. In het Statuut Opbouwwerk staat onder andere ook de gevleugelde zin van Jan Willem Duyvendak: opkomen voor het zwakste belang en het minst gehoorde verlangen. Er zijn meer waarden te noemen die een drijfveer vormen voor de werkers. Het is een normatief beroep, gericht op herverdeling, vorming en andere verbeteringen.
Bestuurlijke Idealen: Bestuurders willen passende maatregelen nemen en eerlijk, fatsoenlijk mensen bejegenen. Denk aan rechtszekerheid, rechtvaardigheid, legitimiteit, gelijkheid voor de wet, proportionaliteit van ingezette middelen. Of aan rationaliteit, efficiëntie en effectiviteit.
Vier typen werk, maar hoeveel is hedendaags opbouwwerk ? Volgens de canon is slechts de bovenste rij (A1 en A2) opbouwwerk. In de praktijk wordt aan opbouwwerkers meer en meer gevraagd B1 en B2 te doen. Dat is een type arbeid overigens waar in principe je geen opbouwwerker voor hoeft te huren. Hier zijn geen exclusieve welzijnswerkcompetenties in het geding. Ook ambtenaren, communicatiedeskundigen, organisatieadviseurs en andere ingeschrevenen bij een uitzendbureau voor hoger opgeleiden kunnen dit (en doen dit). Die verschuiving van de vraag van boven naar beneden in het schema roept herinnering op met wat er gebeurde met sociale activering, inspraakbegeleiding en alfabetisering. Het waren werkvormen die met eigen idealen opgepakt werden door het welzijnswerk, maar allengs werden overgenomen door andere instellingen en ‘verzakelijkten’. Dit fenomeen staat ook bekend als ‘de kraamkamerfunctie’van het sociaal cultureel werk. Waarschijnlijk staan aanzienlijke delen van de portefeuille van het opbouwwerk klaar om de kraamkamer te verlaten, of zijn daar al uit. Die verschuiving zou aanleiding kunnen vormen voor het zoeken van nieuwe vormen, partners en cliënten om de idealen tot uitdrukking te brengen. Het zijn volgens ons vier veelvoorkomende hedendaagse typen samenlevingsopbouw, elk een volwaardige rol voor opbouwwerkers biedend.
|
de inschrijving werd twee keer overtekend. De conferentie baarde een andere verrassing: één van de aanbevelingen van met name de wijkambtenaren was, om het ‘oude basisopbouwwerk weer in ere te herstellen, maar dan liever niet met opbouwwerkers in dienst van de bredewelzijnskoepels, want met die koepels loopt dit werk geheid vast in procedures.’